Rechtspleging - Andere bevoegdheden

1. Het Hof van Cassatie regelt ook bepaalde bevoegdheidsconflicten en incidenten van de rechtspleging.

1.1. Aldus doet het Hof uitspraak over de bevoegdheidsconflicten tussen de administratieve rechtscolleges en de rechtscolleges van de rechterlijke macht. Een arrest van de Raad van State is vatbaar voor cassatieberoep wanneer de Raad zich bij dat arrest onbevoegd verklaart om kennis te nemen van een vordering omdat die tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht zou behoren of, in tegendeel, een exceptie van onbevoegdheid afwijst die op dezelfde grond is gesteund. Dat cassatieberoep volgt dezelfde procedureregels als die welke in burgerlijke zaken gelden en die verder worden omschreven[1]. In het uitzonderlijk geval dat de Raad van State en een rechtscollege van de rechterlijke macht zich beiden hetzij bevoegd hetzij onbevoegd hebben verklaard om van dezelfde vordering kennis te nemen, kan overigens een vordering tot regeling van rechtsgebied bij het Hof worden ingediend (zie verder). In die beide gevallen van regeling van rechtsgebied doet het Hof uitspraak in verenigde kamers.
 
1.2. In enkele zeldzame gevallen kunnen verschillende rechtscolleges van de rechterlijke orde afzonderlijk beslissingen hebben uitgesproken over een zelfde vordering of over vorderingen die samenhangen. Wanneer die beslissingen met kracht van gewijsde strijdig zijn en geen van beide door een appelgerecht kan worden gewijzigd, kan elke partij bij het Hof een vordering tot regeling van rechtsgebied instellen. In voorkomend geval vernietigt het Hof de verschillende rechtsplegingen en verwijst alle partijen naar de rechter die het aanwijst.
 
1.3. De vorderingen tot onttrekking van de zaak aan een rechter behoren eveneens tot de bevoegdheid van het Hof van Cassatie. Het gaat om gevallen waarin de eiser twijfelt aan de strikte onpartijdigheid van de magistraat die kennis neemt van de zaak, hetzij omdat hij te nauw verbonden is met een van de partijen, hetzij wegens andere bijzondere feitelijke omstandigheden die hij aan het Hof ter beoordeling voorlegt.
 
Daarenboven kunnen beide geschilpartijen krachtens een recente wet[2] bij het Hof een vordering indienen tot onttrekking van de zaak aan de rechter die gedurende meer dan zes maanden verzuimt de zaak die hij in beraad heeft genomen, te berechten.
 
De vorderingen tot onttrekking van de zaak aan de rechter hebben een schorsende werking: zodra de rechter op de hoogte is van de vordering mag hij over die zaak geen uitspraak meer doen. Bovendien heeft de wetgever een vereenvoudigde procedure uitgewerkt die geldt voor de vorderingen tot onttrekking van de zaak aan de rechter die gedurende meer dan zes maanden nagelaten heeft uitspraak te doen. Wanneer het Hof beslist tot onttrekking beveelt het in elk geval de verwijzing van de zaak naar de rechter die het aanwijst.
 
2. Het Hof van Cassatie oefent op het hoogste niveau het tuchtrecht uit over de rechters.
 
2.1. Het beschikt in het algemeen over een recht van toezicht over de hoven van beroep en de arbeidshoven.
 
2.2. Het Hof oefent het tuchtrechterlijk gezag uit over zijn eigen leden. De eerste voorzitter van het Hof is aldus bevoegd om procedures in te leiden en te voeren inzake de voorzitters, raadsheren en de referendarissen die hen bijstaan. Hetzelfde geldt voor de procureur-generaal bij het Hof, ten aanzien van de eerste advocaat-generaal, de advocaten-generaal en de referendarissen die hen bijstaan. De eerste voorzitter van het Hof kan evenwel slechts een zogenaamd lichte straf op te leggen (een waarschuwing of een berisping) aan de magistraten van de zetel, de zware straffen (inhouding van wedde tot ontzetting uit het ambt of afzetting) kunnen enkel door de algemene vergadering van het Hof worden opgelegd. De procureur-generaal bij het Hof kan daarentegen een zware straf opleggen aan de magistraten van het parket en de referendarissen die hen bijstaan, met uitzondering van het ontslag van ambtswege en de afzetting die door de Koning moeten worden uitgesproken.
 
De algemene vergadering van het Hof oefent het tuchtgezag uit over de eerste voorzitter, terwijl de minister van Justitie of de Koning dat gezag uitoefent over de procureur-generaal bij het Hof.
 
2.3. De wet heeft tevens de uitoefening van het tuchtgezag over bepaalde hoge magistraten van de bodemgerechten aan het Hof van Cassatie toevertrouwd. De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie stelt de tuchtprocedures in ten aanzien van de eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de arbeidshoven, terwijl de procureur-generaal bij het Hof die bevoegdheid uitoefent ten aanzien van de procureurs-generaal bij de hoven van beroep en van de federale procureur. De eerste voorzitter legt de lichte straffen op aan de eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de arbeidshoven, terwijl de eerste kamer van het Hof bevoegd is voor het opleggen van de zware straffen. De procureur-generaal bij het Hof kan een zware straf opleggen aan de procureurs-generaal bij de hoven van beroep en de federale procureur, met uitzondering van de afzetting en het ontslag van ambtswege die door de Koning moeten worden uitgesproken.
 
2.4. Het Hof van Cassatie neemt tenslotte ook kennis van de hogere beroepen tegen de beslissingen van sommige tuchtoverheden van de rechterlijke macht afhankelijk van de zwaarte van de uitgesproken straf. Aangezien het Hof in dat geval in tweede instantie uitspraak doet, is de regel dat het Hof niet oordeelt over de grond van de zaak in dat geval vanzelfsprekend niet van toepassing. De algemene vergadering van het Hof is aldus de beroepsinstantie voor de lichte straffen die aan de leden de zetel van het Hof zijn opgelegd, met uitzondering van de eerste voorzitter, en voor de zware straffen die aan de eerste voorzitters van de hoven van beroep en de arbeidshoven werden opgelegd. De verenigde kamers van het Hof doen in hoger beroep uitspraak over de beslissingen die een zware straf opleggen aan de leden van de hoven van beroep en de arbeidshoven, aan de leden van de rechtbanken van eerste aanleg, van koophandel en van de arbeidsrechtbanken, aan de vrederechters en aan de politierechters. De hogere beroepen tegen de lichte straffen die aan diezelfde magistraten zijn opgelegd, worden door de eerste kamer van het Hof behandeld.
 

3. Het Hof wordt geraadpleegd bij de totstandkoming van de wetgeving, dat gebeurt meer bepaald via zijn parket. Een recente wetsbepaling[3] bepaalt dat de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie en het College van procureurs-generaal aan het Comité in de loop van de maand oktober een verslag toezenden, dat een overzicht bevat van de wetten die voor de hoven en de rechtbanken tijdens het voorbije gerechtelijk jaar moeilijkheden bij de toepassing of de interpretatie ervan hebben opgeleverd. In dat verslag kunnen een aantal voorstellen worden gedaan.



[1] Zie niettemin de uitzonderingen die vervat zijn in het Regentsbesluit van 23 augustus 1948 tot vaststelling van de formaliteiten en de termijnen inzake cassatieberoep tegen de arresten van de Raad van State (B.S., 23-24 aug. 1948).
[2] Wet 6 dec. 2005 tot wijziging van de artikelen 648, 652, 655 en 656 van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op de invoering van een vereenvoudigde onttrekking van de zaak aan de rechter die gedurende meer dan zes maanden verzuimt de zaak die hij in beraad heeft genomen, te berechten. (B.S., 13 jan. 2006)
[3] Art. 11 Wet 25 april 2007 tot oprichting van een Parlementair Comité belast met de wetsevaluatie.